Beta
versie -
Delen:

Stel een vrijwillig omgevingsprogramma op voor organische restromen

Juridische houdbaarheid
Hoog
Invloed
Gemiddeld
Overheidslaag
Gemeentelijk - Provinciaal - Nationaal  
R-ladder
R1 - 
R2 - 
R3 - 
R4 - 
R5 - 
R6  

In het omgevingsprogramma kunnen overheden maatregelen opnemen die de inzameling en de hoogwaardige verwerking van bioafval van zowel huishoudens als bedrijven bevorderen.

Hoe kun je een omgevingsprogramma toepassen?

Een gemeente of provincie kan ervoor kiezen om een vrijwillig omgevingsprogramma op te stellen over een bepaald thema of voor een bepaald gebied. Een vrijwillig programma bevat:

  • de uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving,
  • maatregelen om te voldoen aan vastgestelde omgevingswaarden,
  • maatregelen voor het bereiken van doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.

Met een vrijwillig omgevingsprogramma kun je invulling geven aan de ambitie en doelstellingen om bioafval van zowel huishoudens als bedrijven te verwerken tot een hoogwaardige bodemverbeteraar (bijvoorbeeld compost) die de Nederlandse akkerbouw kan gebruiken. Bioafval van huishoudens wordt groente-, fruit- en etensresten en tuinafval (GFE/T) genoemd en bioafval van horecabedrijven Swill.

Het inzamelen en verwerken van bioafval kan onderdeel zijn van een vrijwillig omgevingsprogramma met het thema organische reststromen of duurzaamheid. Je kan ook een vrijwillig omgevingsprogramma opstellen specifiek voor het thema bio-afval van huishoudens en bedrijven.

In het omgevingsprogramma kan je verschillende concrete juridische of fysieke maatregelen rond organische reststromen formuleren om de doelstellingen te behalen, zoals:

  1. Wijs in het omgevingsprogramma locaties aan om de infrastructuur rond de inzameling en verwerking van bio-afval op te zetten en te bevorderen. Denk daarbij aan het aanwijzen van inzamelplaatsen voor bioafval zoals milieustraten en ondergrondse containers. En het aanwijzen van locaties voor de verwerking van bioafval zoals composteerinstallaties, wormenhotels en biovergisters.
  2. Neem als doelstelling op dat in een bepaald aantal jaren een bepaald percentage van GFE/T en bioafval van bedrijven jaarlijks gescheiden ingezameld wordt en omgezet wordt tot hoogwaardige bodemverbeteraar.
  3. Leg afspraken vast over het voeren van campagnes in de gemeente om bewustwording bij burgers/huishoudens en (horeca)bedrijven te vergroten over het goed scheiden van bioafval.
  4. Geef prioriteit aan het stimuleren van lokale initiatieven rondom bioafval verwaarding, zoals buurtcomposthopen, wormenhotels en kleinschalige biovergisters.
  5. Neem in het omgevingsprogramma op hoe je toeziet op de naleving van de maatregelen. Op deze manier kan de voortgang van de doelstellingen en ambities uit de omgevingsvisie worden gemonitord. Daarnaast kan er op tijd worden bijgestuurd als bepaalde doelstellingen niet lijken te worden gehaald door aanvullende maatregelen te treffen.

Naast bovenstaande voorbeelden kunnen er in het omgevingsprogramma nog veel meer maatregelen worden opgenomen met betrekking tot organische reststromen, bijvoorbeeld gericht op interne organisatorische aspecten, financiering, subsidies.

Uit de praktijk

Op dit moment zijn er nog geen voorbeelden van omgevingsprogramma’s die betrekking hebben op organische reststromen of bio-afval van huishoudens of bedrijven. Het omgevingsprogramma is een nieuw instrument in de Omgevingswet en biedt dus nieuwe kansen.

Ga jij aan de slag met een omgevingsprogramma over organische reststromen? Deel dan je ervaringen met ons!

Op de website van Informatiepunt Leefomgeving vind je een wegwijzer voor het opstellen van een omgevingsprogramma.

Voorwaarden

  • De inhoud van de omgevingsprogramma’s zijn vormvrij, maar er moet wel ten minste één maatregel en één uitwerking in staan volgens artikel 3.5 Omgevingswet;
  • Het omgevingsprogramma moet gaan over een onderwerp waar de Omgevingswet op van toepassing is (artikel 1.2 Omgevingswet);
  • Het omgevingsprogramma moet gepubliceerd worden op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO);
  • Het omgevingsprogramma is een beleidsdocument. Er kan dus geen bezwaar of beroep tegen worden ingediend. Het programma is zelfbindend en bindt daarmee alleen de bestuursorganen die het programma hebben vastgesteld;
  • Er is geen sprake van direct toezicht of handhaving op een omgevingsprogramma.

Juridische toelichting

Volgens artikel 3.4 Ow kunnen zowel Rijk, provincie als gemeenten programma’s vaststellen voor de uitwerking van hun beleid en het treffen van maatregelen. In de gemeente wordt een omgevingsprogramma vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In de provincie door Gedeputeerde Staten.

Er zijn vier varianten van omgevingsprogramma’s:

  1. Het vrijwillige programma (artikel 3.4 Ow). Dit programma is dus niet verplicht en komt voort uit de behoefte van een bestuur zelf.
  2. Verplichte programma’s op grond van EU-wetgeving (artikel 3.6 t/m 3.9 Ow). Een voorbeeld is het Actieplan Geluid dat het Rijk en elke provincie of gemeente moet vaststellen.
  3. Verplicht programma bij (dreigende) overschrijding omgevingswaarden (artikel 3.10 Ow). Wanneer de overheid een omgevingswaarde heeft vastgesteld en deze wordt niet gehaald of het is aannemelijk dat deze niet gehaald wordt, dan moet de overheid een programma opstellen met maatregelen zodat er nog wel aan de omgevingswaarde kan worden voldaan.
  4. Programma met programmatische aanpak (par. 3.2.4. Ow). Dit is ook een vrijwillig in te zetten programma. Het is bedoeld voor gebieden waarvoor omgevingswaarden gelden die onder druk staan. De programmatische aanpak onderscheidt zich van de andere typen programma’s doordat het – naast een uitwerking van het beleid en een maatregelenpakket – ook activiteiten bevat waarop met het programma regie wordt gevoerd op het voldoen aan de omgevingswaarden.
RechtsgebiedPubliekrecht > Omgevingsrecht
CiteertitelOmgevingswet
Artikel3.4
Geldig vanafInvalid Date